NL: weergalmenSynoniemen: galmen, resoneren, schallen, weerkaatsen, weerschallen, weerklinken, echoën
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
weergalmd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik weergalm jij weergalmt hij weergalmt wij weergalmen jullie weergalmen zij weergalmen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb weergalmd jij hebt weergalmd hij heeft weergalmd wij hebben weergalmd jullie hebben weergalmd zij hebben weergalmd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik weergalmde jij weergalmde hij weergalmde wij weergalmden jullie weergalmden zij weergalmden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had weergalmd jij had weergalmd hij had weergalmd wij hadden weergalmd jullie hadden weergalmd zij hadden weergalmd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal weergalmen jij zult weergalmen hij zal weergalmen wij zullen weergalmen jullie zullen weergalmen zij zullen weergalmen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal weergalmd hebben jij zult weergalmd hebben hij zal weergalmd hebben wij zullen weergalmd hebben jullie zullen weergalmd hebben zij zullen weergalmd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou weergalmen jij zou weergalmen hij zou weergalmen wij zouden weergalmen jullie zouden weergalmen zij zouden weergalmen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou weergalmd hebben jij zou weergalmd hebben hij zou weergalmd hebben wij zouden weergalmd hebben jullie zouden weergalmd hebben zij zouden weergalmd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
weergalm
|