| Vervoegen: wantrouwen |
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
| gewantrouwd |
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
| ik wantrouw jij wantrouwt hij wantrouwt wij wantrouwen jullie wantrouwen zij wantrouwen |
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
| ik heb gewantrouwd jij hebt gewantrouwd hij heeft gewantrouwd wij hebben gewantrouwd jullie hebben gewantrouwd zij hebben gewantrouwd |
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
| ik wantrouwde jij wantrouwde hij wantrouwde wij wantrouwden jullie wantrouwden zij wantrouwden |
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
| ik had gewantrouwd jij had gewantrouwd hij had gewantrouwd wij hadden gewantrouwd jullie hadden gewantrouwd zij hadden gewantrouwd |
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
| ik zal wantrouwen jij zult wantrouwen hij zal wantrouwen wij zullen wantrouwen jullie zullen wantrouwen zij zullen wantrouwen |
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
| ik zal gewantrouwd hebben jij zult gewantrouwd hebben hij zal gewantrouwd hebben wij zullen gewantrouwd hebben jullie zullen gewantrouwd hebben zij zullen gewantrouwd hebben |
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
| ik zou wantrouwen jij zou wantrouwen hij zou wantrouwen wij zouden wantrouwen jullie zouden wantrouwen zij zouden wantrouwen |
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
| ik zou gewantrouwd hebben jij zou gewantrouwd hebben hij zou gewantrouwd hebben wij zouden gewantrouwd hebben jullie zouden gewantrouwd hebben zij zouden gewantrouwd hebben |
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
| wantrouw |