NL: wanhopenEN: despair
FR: désespérer
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gewanhoopt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik wanhoop jij wanhoopt hij wanhoopt wij wanhopen jullie wanhopen zij wanhopen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gewanhoopt jij hebt gewanhoopt hij heeft gewanhoopt wij hebben gewanhoopt jullie hebben gewanhoopt zij hebben gewanhoopt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik wanhoopte jij wanhoopte hij wanhoopte wij wanhoopten jullie wanhoopten zij wanhoopten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gewanhoopt jij had gewanhoopt hij had gewanhoopt wij hadden gewanhoopt jullie hadden gewanhoopt zij hadden gewanhoopt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal wanhopen jij zult wanhopen hij zal wanhopen wij zullen wanhopen jullie zullen wanhopen zij zullen wanhopen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gewanhoopt hebben jij zult gewanhoopt hebben hij zal gewanhoopt hebben wij zullen gewanhoopt hebben jullie zullen gewanhoopt hebben zij zullen gewanhoopt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou wanhopen jij zou wanhopen hij zou wanhopen wij zouden wanhopen jullie zouden wanhopen zij zouden wanhopen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gewanhoopt hebben jij zou gewanhoopt hebben hij zou gewanhoopt hebben wij zouden gewanhoopt hebben jullie zouden gewanhoopt hebben zij zouden gewanhoopt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
wanhoop
|