| Vervoegen: walmen |
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
| gewalmd |
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
| ik walm jij walmt hij walmt wij walmen jullie walmen zij walmen |
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
| ik heb gewalmd jij hebt gewalmd hij heeft gewalmd wij hebben gewalmd jullie hebben gewalmd zij hebben gewalmd |
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
| ik walmde jij walmde hij walmde wij walmden jullie walmden zij walmden |
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
| ik had gewalmd jij had gewalmd hij had gewalmd wij hadden gewalmd jullie hadden gewalmd zij hadden gewalmd |
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
| ik zal walmen jij zult walmen hij zal walmen wij zullen walmen jullie zullen walmen zij zullen walmen |
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
| ik zal gewalmd hebben jij zult gewalmd hebben hij zal gewalmd hebben wij zullen gewalmd hebben jullie zullen gewalmd hebben zij zullen gewalmd hebben |
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
| ik zou walmen jij zou walmen hij zou walmen wij zouden walmen jullie zouden walmen zij zouden walmen |
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
| ik zou gewalmd hebben jij zou gewalmd hebben hij zou gewalmd hebben wij zouden gewalmd hebben jullie zouden gewalmd hebben zij zouden gewalmd hebben |
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
| walm |