NL: wallenSynoniemen: wallen (aufbauen): bouwen, construeren
DE: blubbern, brodeln, aufbrausen, aufbrodeln, aufwallen, brausen, moussieren, schäumen, sprudeln
EN: wallen (aufbauen): build, establish, set up, raise, erect
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gewald
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik wal jij walt hij walt wij wallen jullie wallen zij wallen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gewald jij hebt gewald hij heeft gewald wij hebben gewald jullie hebben gewald zij hebben gewald
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik walde jij walde hij walde wij walden jullie walden zij walden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gewald jij had gewald hij had gewald wij hadden gewald jullie hadden gewald zij hadden gewald
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal wallen jij zult wallen hij zal wallen wij zullen wallen jullie zullen wallen zij zullen wallen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gewald hebben jij zult gewald hebben hij zal gewald hebben wij zullen gewald hebben jullie zullen gewald hebben zij zullen gewald hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou wallen jij zou wallen hij zou wallen wij zouden wallen jullie zouden wallen zij zouden wallen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gewald hebben jij zou gewald hebben hij zou gewald hebben wij zouden gewald hebben jullie zouden gewald hebben zij zouden gewald hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
wal
|
DE: wallenSynoniemen: blubbern, brodeln, aufbrausen, aufbrodeln, aufwallen, brausen, moussieren, schäumen, sprudeln
NL: wallen (aufbauen): bouwen, construeren
EN: wallen (aufbauen): build, establish, set up, raise, erect
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gewallt wallend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich walle du wallst er wallt wir wallen ihr wallt sie; Sie wallen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gewallt du hast gewallt er hat gewallt wir haben gewallt ihr habt gewallt sie; Sie haben gewallt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich wallte du walltest er wallte wir wallten ihr walltet sie; Sie wallten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gewallt du hattest gewallt er hatte gewallt wir hatten gewallt ihr hattet gewallt sie; Sie hatten gewallt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde wallen du wirst wallen er wird wallen wir werden wallen ihr werdet wallen sie; Sie werden wallen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gewallt haben du wirst gewallt haben er wird gewallt haben wir werden gewallt haben ihr werdet gewallt haben sie; Sie werden gewallt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich walle du wallest er walle wir wallen ihr wallet sie; Sie wallen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gewallt du habest gewallt er habe gewallt wir haben gewallt ihr habet gewallt sie; Sie haben gewallt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich wallte du walltest er wallte wir wallten ihr walltet sie; Sie wallten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gewallt du hättest gewallt er hätte gewallt wir hätten gewallt ihr hättet gewallt sie; Sie hätten gewallt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde wallen du würdest wallen er würde wallen wir würden wallen ihr würdet wallen sie; Sie würden wallen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gewallt haben du würdest gewallt haben er würde gewallt haben wir würden gewallt haben ihr würdet gewallt haben sie; Sie würden gewallt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du walle
|