NL: walgenSynoniemen: afkeer hebben
EN: be disgusted by, loathe, abhor
FR: être dégoûté de, être écoeuré de
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gewalgd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik walg jij walgt hij walgt wij walgen jullie walgen zij walgen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gewalgd jij hebt gewalgd hij heeft gewalgd wij hebben gewalgd jullie hebben gewalgd zij hebben gewalgd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik walgde jij walgde hij walgde wij walgden jullie walgden zij walgden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gewalgd jij had gewalgd hij had gewalgd wij hadden gewalgd jullie hadden gewalgd zij hadden gewalgd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal walgen jij zult walgen hij zal walgen wij zullen walgen jullie zullen walgen zij zullen walgen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gewalgd hebben jij zult gewalgd hebben hij zal gewalgd hebben wij zullen gewalgd hebben jullie zullen gewalgd hebben zij zullen gewalgd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou walgen jij zou walgen hij zou walgen wij zouden walgen jullie zouden walgen zij zouden walgen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gewalgd hebben jij zou gewalgd hebben hij zou gewalgd hebben wij zouden gewalgd hebben jullie zouden gewalgd hebben zij zouden gewalgd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
walg
|