NL: wagenSynoniemen: wagen (riskieren): avonturieren
DE: Karren, Fuhrwerk, Karre, Kutsche, Droschke, Fuhrwerk, Postkutsche, Waggon, Eisenbahnwagen, Güterwagen, Schlafwagen, Speisewagen, Auto, Automobil, Fahrzeug, Kfz, Kraftfahrzeug, Lastauto, Lastkraftwagen, Lastwagen, Lastzug, LKW, Personenauto, Personenkraft
EN: the baby buggy, the perambulator, the pram
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gewaagd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik waag jij waagt hij waagt wij wagen jullie wagen zij wagen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gewaagd jij hebt gewaagd hij heeft gewaagd wij hebben gewaagd jullie hebben gewaagd zij hebben gewaagd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik waagde jij waagde hij waagde wij waagden jullie waagden zij waagden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gewaagd jij had gewaagd hij had gewaagd wij hadden gewaagd jullie hadden gewaagd zij hadden gewaagd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal wagen jij zult wagen hij zal wagen wij zullen wagen jullie zullen wagen zij zullen wagen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gewaagd hebben jij zult gewaagd hebben hij zal gewaagd hebben wij zullen gewaagd hebben jullie zullen gewaagd hebben zij zullen gewaagd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou wagen jij zou wagen hij zou wagen wij zouden wagen jullie zouden wagen zij zouden wagen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gewaagd hebben jij zou gewaagd hebben hij zou gewaagd hebben wij zouden gewaagd hebben jullie zouden gewaagd hebben zij zouden gewaagd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
waag
|
DE: wagenSynoniemen: Karren, Fuhrwerk, Karre, Kutsche, Droschke, Fuhrwerk, Postkutsche, Waggon, Eisenbahnwagen, Güterwagen, Schlafwagen, Speisewagen, Auto, Automobil, Fahrzeug, Kfz, Kraftfahrzeug, Lastauto, Lastkraftwagen, Lastwagen, Lastzug, LKW, Personenauto, Personenkraft
NL: wagen (riskieren): avonturieren
EN: the baby buggy, the perambulator, the pram
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gewagt wagend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich wage du wagst er wagt wir wagen ihr wagt sie; Sie wagen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gewagt du hast gewagt er hat gewagt wir haben gewagt ihr habt gewagt sie; Sie haben gewagt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich wagte du wagtest er wagte wir wagten ihr wagtet sie; Sie wagten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gewagt du hattest gewagt er hatte gewagt wir hatten gewagt ihr hattet gewagt sie; Sie hatten gewagt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde wagen du wirst wagen er wird wagen wir werden wagen ihr werdet wagen sie; Sie werden wagen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gewagt haben du wirst gewagt haben er wird gewagt haben wir werden gewagt haben ihr werdet gewagt haben sie; Sie werden gewagt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich wage du wagest er wage wir wagen ihr waget sie; Sie wagen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gewagt du habest gewagt er habe gewagt wir haben gewagt ihr habet gewagt sie; Sie haben gewagt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich wagte du wagtest er wagte wir wagten ihr wagtet sie; Sie wagten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gewagt du hättest gewagt er hätte gewagt wir hätten gewagt ihr hättet gewagt sie; Sie hätten gewagt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde wagen du würdest wagen er würde wagen wir würden wagen ihr würdet wagen sie; Sie würden wagen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gewagt haben du würdest gewagt haben er würde gewagt haben wir würden gewagt haben ihr würdet gewagt haben sie; Sie würden gewagt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du wage
|