| Vervoegen: waaieren |
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
| gewaaierd |
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
| ik waaier jij waaiert hij waaiert wij waaieren jullie waaieren zij waaieren |
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
| ik heb gewaaierd jij hebt gewaaierd hij heeft gewaaierd wij hebben gewaaierd jullie hebben gewaaierd zij hebben gewaaierd |
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
| ik waaierde jij waaierde hij waaierde wij waaierden jullie waaierden zij waaierden |
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
| ik had gewaaierd jij had gewaaierd hij had gewaaierd wij hadden gewaaierd jullie hadden gewaaierd zij hadden gewaaierd |
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
| ik zal waaieren jij zult waaieren hij zal waaieren wij zullen waaieren jullie zullen waaieren zij zullen waaieren |
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
| ik zal gewaaierd hebben jij zult gewaaierd hebben hij zal gewaaierd hebben wij zullen gewaaierd hebben jullie zullen gewaaierd hebben zij zullen gewaaierd hebben |
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
| ik zou waaieren jij zou waaieren hij zou waaieren wij zouden waaieren jullie zouden waaieren zij zouden waaieren |
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
| ik zou gewaaierd hebben jij zou gewaaierd hebben hij zou gewaaierd hebben wij zouden gewaaierd hebben jullie zouden gewaaierd hebben zij zouden gewaaierd hebben |
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
| waaier |