NL: vurenSynoniemen: schieten, afdrukken, afvuren, afschieten
DE: vuren (schoten lossen): schießen, knallen, feuern, lösen
EN: vuren (schoten lossen): shoot, fusillade, fire, fire a shot
ES: vuren (schoten lossen): lanzar, tirar, disparar, hacer fuego, herir, descargar, cazar
FR: vuren (schoten lossen): décharger, tirer, faire du tir, ouvrir le feu
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gevuurd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vuur jij vuurt hij vuurt wij vuren jullie vuren zij vuren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gevuurd jij hebt gevuurd hij heeft gevuurd wij hebben gevuurd jullie hebben gevuurd zij hebben gevuurd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vuurde jij vuurde hij vuurde wij vuurden jullie vuurden zij vuurden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gevuurd jij had gevuurd hij had gevuurd wij hadden gevuurd jullie hadden gevuurd zij hadden gevuurd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vuren jij zult vuren hij zal vuren wij zullen vuren jullie zullen vuren zij zullen vuren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gevuurd hebben jij zult gevuurd hebben hij zal gevuurd hebben wij zullen gevuurd hebben jullie zullen gevuurd hebben zij zullen gevuurd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vuren jij zou vuren hij zou vuren wij zouden vuren jullie zouden vuren zij zouden vuren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gevuurd hebben jij zou gevuurd hebben hij zou gevuurd hebben wij zouden gevuurd hebben jullie zouden gevuurd hebben zij zouden gevuurd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vuur
|