NL: vrijwarenSynoniemen: bewaren, dekken, sparen
DE: sichern, schützen, sicherstellen
EN: guard, protect
FR: protéger, garantir, préserver
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gevrijwaard
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vrijwaar jij vrijwaart hij vrijwaart wij vrijwaren jullie vrijwaren zij vrijwaren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gevrijwaard jij hebt gevrijwaard hij heeft gevrijwaard wij hebben gevrijwaard jullie hebben gevrijwaard zij hebben gevrijwaard
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vrijwaarde jij vrijwaarde hij vrijwaarde wij vrijwaarden jullie vrijwaarden zij vrijwaarden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gevrijwaard jij had gevrijwaard hij had gevrijwaard wij hadden gevrijwaard jullie hadden gevrijwaard zij hadden gevrijwaard
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vrijwaren jij zult vrijwaren hij zal vrijwaren wij zullen vrijwaren jullie zullen vrijwaren zij zullen vrijwaren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gevrijwaard hebben jij zult gevrijwaard hebben hij zal gevrijwaard hebben wij zullen gevrijwaard hebben jullie zullen gevrijwaard hebben zij zullen gevrijwaard hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vrijwaren jij zou vrijwaren hij zou vrijwaren wij zouden vrijwaren jullie zouden vrijwaren zij zouden vrijwaren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gevrijwaard hebben jij zou gevrijwaard hebben hij zou gevrijwaard hebben wij zouden gevrijwaard hebben jullie zouden gevrijwaard hebben zij zouden gevrijwaard hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vrijwaar
|