NL: vrijsprekenSynoniemen: zuiveren, vrijpleiten, dechargeren
DE: vrijspreken (onschuldig verklaren): freisprechen, freiplädieren
EN: vrijspreken (onschuldig verklaren): found innocent, clear
ES: vrijspreken (onschuldig verklaren): descargar, absolver, declarar inocente, pronunciar sentencia absolutoria
FR: vrijspreken (onschuldig verklaren): acquitter, décharger, laver, innocenter, déclarer innocent, blanchir, disculper
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
vrijgesproken
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik spreek vrij jij spreekt vrij hij spreekt vrij wij spreken vrij jullie spreken vrij zij spreken vrij
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb vrijgesproken jij hebt vrijgesproken hij heeft vrijgesproken wij hebben vrijgesproken jullie hebben vrijgesproken zij hebben vrijgesproken
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik sprak vrij jij sprak vrij hij sprak vrij wij spraken vrij jullie spraken vrij zij spraken vrij
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had vrijgesproken jij had vrijgesproken hij had vrijgesproken wij hadden vrijgesproken jullie hadden vrijgesproken zij hadden vrijgesproken
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vrijspreken jij zult vrijspreken hij zal vrijspreken wij zullen vrijspreken jullie zullen vrijspreken zij zullen vrijspreken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal vrijgesproken hebben jij zult vrijgesproken hebben hij zal vrijgesproken hebben wij zullen vrijgesproken hebben jullie zullen vrijgesproken hebben zij zullen vrijgesproken hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vrijspreken jij zou vrijspreken hij zou vrijspreken wij zouden vrijspreken jullie zouden vrijspreken zij zouden vrijspreken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou vrijgesproken hebben jij zou vrijgesproken hebben hij zou vrijgesproken hebben wij zouden vrijgesproken hebben jullie zouden vrijgesproken hebben zij zouden vrijgesproken hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
spreek vrij
|