NL: vrijenSynoniemen: beminnen, kienen, liefkozen, minnekozen, minnen, neuken, scharrelen, paren, liefbedrijven
DE: ficken, bumsen, sich lieben, miteinander schlafen, Liebe machen, Geschlechtsverkehr haben
EN: carress, make love, cuddle, love, neck
ES: acostarse, hacer el amor, coser
FR: cajoler, câliner, faire l'amour
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gevrijd;gevreeën
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vrij jij vrijt hij vrijt wij vrijen jullie vrijen zij vrijen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gevrijd;gevreeën jij hebt gevrijd hij heeft gevrijd wij hebben gevrijd jullie hebben gevrijd zij hebben gevrijd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vrijde;vree jij vrijde hij vrijde wij vrijden jullie vrijden zij vrijden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gevrijd;gevreeën jij had gevrijd hij had gevrijd wij hadden gevrijd jullie hadden gevrijd zij hadden gevrijd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vrijen jij zult vrijen hij zal vrijen wij zullen vrijen jullie zullen vrijen zij zullen vrijen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gevrijd;gevreeën hebben jij zult gevrijd hebben hij zal gevrijd hebben wij zullen gevrijd hebben jullie zullen gevrijd hebben zij zullen gevrijd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vrijen jij zou vrijen hij zou vrijen wij zouden vrijen jullie zouden vrijen zij zouden vrijen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gevrijd;gevreeën hebben jij zou gevrijd hebben hij zou gevrijd hebben wij zouden gevrijd hebben jullie zouden gevrijd hebben zij zouden gevrijd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vrij
|