NL: vrezenSynoniemen: opzien, schromen, duchten, versagen
DE: vrezen (bang zijn): fürchten, Angst haben
EN: vrezen (bang zijn): be afraid of, fear, dread
ES: vrezen (bang zijn): tener miedo, temer
FR: vrezen (bang zijn): craindre, avoir peur de, redouter, avoir crainte de
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gevreesd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vrees jij vreest hij vreest wij vrezen jullie vrezen zij vrezen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gevreesd jij hebt gevreesd hij heeft gevreesd wij hebben gevreesd jullie hebben gevreesd zij hebben gevreesd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vreesde jij vreesde hij vreesde wij vreesden jullie vreesden zij vreesden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gevreesd jij had gevreesd hij had gevreesd wij hadden gevreesd jullie hadden gevreesd zij hadden gevreesd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vrezen jij zult vrezen hij zal vrezen wij zullen vrezen jullie zullen vrezen zij zullen vrezen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gevreesd hebben jij zult gevreesd hebben hij zal gevreesd hebben wij zullen gevreesd hebben jullie zullen gevreesd hebben zij zullen gevreesd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vrezen jij zou vrezen hij zou vrezen wij zouden vrezen jullie zouden vrezen zij zouden vrezen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gevreesd hebben jij zou gevreesd hebben hij zou gevreesd hebben wij zouden gevreesd hebben jullie zouden gevreesd hebben zij zouden gevreesd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vrees
|