NL: vormenSynoniemen: boetseren, bouwen, formeren, kneden, maakt, maken, modelleren, ontwikkelen, opleiden, opvoeden, opwerpen, scheppen, smeden, uitmaken, vervaardigen, beschaven, cultiveren, grootbrengen
DE: kneten, formen, gestalten, bearbeiten, bilden, modellieren, heranbilden
EN: form, mould, knead, model, shape, massage
ES: constituir, formar, amasar, dar masajes, masajear, macerar, modelar, dar forma
FR: former, façonner, mouler, modeler
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gevormd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vorm jij vormt hij vormt wij vormen jullie vormen zij vormen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gevormd jij hebt gevormd hij heeft gevormd wij hebben gevormd jullie hebben gevormd zij hebben gevormd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vormde jij vormde hij vormde wij vormden jullie vormden zij vormden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gevormd jij had gevormd hij had gevormd wij hadden gevormd jullie hadden gevormd zij hadden gevormd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vormen jij zult vormen hij zal vormen wij zullen vormen jullie zullen vormen zij zullen vormen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gevormd hebben jij zult gevormd hebben hij zal gevormd hebben wij zullen gevormd hebben jullie zullen gevormd hebben zij zullen gevormd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vormen jij zou vormen hij zou vormen wij zouden vormen jullie zouden vormen zij zouden vormen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gevormd hebben jij zou gevormd hebben hij zou gevormd hebben wij zouden gevormd hebben jullie zouden gevormd hebben zij zouden gevormd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vorm
|