NL: voorzienSynoniemen: bevroeden, verschaffen
DE: voorzien (tevoren zien): voraussehen, vorhersehen
EN: voorzien (tevoren zien): foresee, anticipate
ES: voorzien (tevoren zien): prever, anticipar
FR: voorzien (tevoren zien): prévoir, anticiper, entrevoir, augurer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
voorzien
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik voorzie jij voorziet hij voorziet wij voorzien jullie voorzien zij voorzien
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb voorzien jij hebt voorzien hij heeft voorzien wij hebben voorzien jullie hebben voorzien zij hebben voorzien
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik voorzag jij voorzag hij voorzag wij voorzagen jullie voorzagen zij voorzagen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had voorzien jij had voorzien hij had voorzien wij hadden voorzien jullie hadden voorzien zij hadden voorzien
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal voorzien jij zult voorzien hij zal voorzien wij zullen voorzien jullie zullen voorzien zij zullen voorzien
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal voorzien hebben jij zult voorzien hebben hij zal voorzien hebben wij zullen voorzien hebben jullie zullen voorzien hebben zij zullen voorzien hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou voorzien jij zou voorzien hij zou voorzien wij zouden voorzien jullie zouden voorzien zij zouden voorzien
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou voorzien hebben jij zou voorzien hebben hij zou voorzien hebben wij zouden voorzien hebben jullie zouden voorzien hebben zij zouden voorzien hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
voorzie
|