NL: voorzettenSynoniemen: opdienen, schaffen, voorplakken, voorvoegen, aanhechten, opdissen, bedienen
DE: voorzetten (opdienen): bedienen, servieren, dienen, anrichten, auftragen, auftischen
EN: voorzetten (opdienen): serve, serve out
FR: voorzetten (opdienen): servir, fournir, offrir, servir à table, présenter, mettre en avant, se charger de, prendre soin de, mettre, s'occuper de
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
voorgezet
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik zet voor jij zet voor hij zet voor wij zetten voor jullie zetten voor zij zetten voor
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb voorgezet jij hebt voorgezet hij heeft voorgezet wij hebben voorgezet jullie hebben voorgezet zij hebben voorgezet
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik zette voor jij zette voor hij zette voor wij zetten voor jullie zetten voor zij zetten voor
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had voorgezet jij had voorgezet hij had voorgezet wij hadden voorgezet jullie hadden voorgezet zij hadden voorgezet
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal voorzetten jij zult voorzetten hij zal voorzetten wij zullen voorzetten jullie zullen voorzetten zij zullen voorzetten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal voorgezet hebben jij zult voorgezet hebben hij zal voorgezet hebben wij zullen voorgezet hebben jullie zullen voorgezet hebben zij zullen voorgezet hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou voorzetten jij zou voorzetten hij zou voorzetten wij zouden voorzetten jullie zouden voorzetten zij zouden voorzetten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou voorgezet hebben jij zou voorgezet hebben hij zou voorgezet hebben wij zouden voorgezet hebben jullie zouden voorgezet hebben zij zouden voorgezet hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
zet voor
|