NL: voortspruitenSynoniemen: spruiten, stoelen, voortvloeien, voortkomen, volgen, uitkomen, resulteren
DE: sprießen, entkeimen
EN: arise from, descend from, sprout from
ES: provenir de, derivar de, proceder de, descender de, brotar de, ser originario de
FR: provenir, dériver, résulter, être issu
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
voortgesproten
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik spruit voort jij spruit voort hij spruit voort wij spruiten voort jullie spruiten voort zij spruiten voort
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb voortgesproten jij hebt voortgesproten hij heeft voortgesproten wij hebben voortgesproten jullie hebben voortgesproten zij hebben voortgesproten
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik sproot voort jij sproot voort hij sproot voort wij sproten voort jullie sproten voort zij sproten voort
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had voortgesproten jij had voortgesproten hij had voortgesproten wij hadden voortgesproten jullie hadden voortgesproten zij hadden voortgesproten
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal voortspruiten jij zult voortspruiten hij zal voortspruiten wij zullen voortspruiten jullie zullen voortspruiten zij zullen voortspruiten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal voortgesproten hebben jij zult voortgesproten hebben hij zal voortgesproten hebben wij zullen voortgesproten hebben jullie zullen voortgesproten hebben zij zullen voortgesproten hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou voortspruiten jij zou voortspruiten hij zou voortspruiten wij zouden voortspruiten jullie zouden voortspruiten zij zouden voortspruiten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou voortgesproten hebben jij zou voortgesproten hebben hij zou voortgesproten hebben wij zouden voortgesproten hebben jullie zouden voortgesproten hebben zij zouden voortgesproten hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
spruit voort
|