NL: voorspiegelen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
voorgespiegeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik spiegel voor jij spiegelt voor hij spiegelt voor wij spiegelen voor jullie spiegelen voor zij spiegelen voor
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb voorgespiegeld jij hebt voorgespiegeld hij heeft voorgespiegeld wij hebben voorgespiegeld jullie hebben voorgespiegeld zij hebben voorgespiegeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik spiegelde voor jij spiegelde voor hij spiegelde voor wij spiegelden voor jullie spiegelden voor zij spiegelden voor
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had voorgespiegeld jij had voorgespiegeld hij had voorgespiegeld wij hadden voorgespiegeld jullie hadden voorgespiegeld zij hadden voorgespiegeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal voorspiegelen jij zult voorspiegelen hij zal voorspiegelen wij zullen voorspiegelen jullie zullen voorspiegelen zij zullen voorspiegelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal voorgespiegeld hebben jij zult voorgespiegeld hebben hij zal voorgespiegeld hebben wij zullen voorgespiegeld hebben jullie zullen voorgespiegeld hebben zij zullen voorgespiegeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou voorspiegelen jij zou voorspiegelen hij zou voorspiegelen wij zouden voorspiegelen jullie zouden voorspiegelen zij zouden voorspiegelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou voorgespiegeld hebben jij zou voorgespiegeld hebben hij zou voorgespiegeld hebben wij zouden voorgespiegeld hebben jullie zouden voorgespiegeld hebben zij zouden voorgespiegeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
spiegel voor
|