NL: voorspellenSynoniemen: beloven, profeteren, verwachten, wichelen
DE: voorspellen (wichelen): vorhersagen, prophezeien, voraussagen, wahrsagen, weissagen
EN: voorspellen (wichelen): predict, forecast, foretell, soothsay
ES: voorspellen (wichelen): pronosticar, adivinar
FR: voorspellen (wichelen): devenir, prédire, présager, pronostiquer, prophétiser
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
voorspeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik voorspel jij voorspelt hij voorspelt wij voorspellen jullie voorspellen zij voorspellen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb voorspeld jij hebt voorspeld hij heeft voorspeld wij hebben voorspeld jullie hebben voorspeld zij hebben voorspeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik voorspelde jij voorspelde hij voorspelde wij voorspelden jullie voorspelden zij voorspelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had voorspeld jij had voorspeld hij had voorspeld wij hadden voorspeld jullie hadden voorspeld zij hadden voorspeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal voorspellen jij zult voorspellen hij zal voorspellen wij zullen voorspellen jullie zullen voorspellen zij zullen voorspellen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal voorspeld hebben jij zult voorspeld hebben hij zal voorspeld hebben wij zullen voorspeld hebben jullie zullen voorspeld hebben zij zullen voorspeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou voorspellen jij zou voorspellen hij zou voorspellen wij zouden voorspellen jullie zouden voorspellen zij zouden voorspellen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou voorspeld hebben jij zou voorspeld hebben hij zou voorspeld hebben wij zouden voorspeld hebben jullie zouden voorspeld hebben zij zouden voorspeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
voorspel
|