NL: voorschietenSynoniemen: lenen
DE: vorstrecken, auslegen
EN: advance
ES: adelantar
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
voorgeschoten
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik schiet voor jij schiet voor hij schiet voor wij schieten voor jullie schieten voor zij schieten voor
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb voorgeschoten jij hebt voorgeschoten hij heeft voorgeschoten wij hebben voorgeschoten jullie hebben voorgeschoten zij hebben voorgeschoten
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik schoot voor jij schoot voor hij schoot voor wij schoten voor jullie schoten voor zij schoten voor
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had voorgeschoten jij had voorgeschoten hij had voorgeschoten wij hadden voorgeschoten jullie hadden voorgeschoten zij hadden voorgeschoten
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal voorschieten jij zult voorschieten hij zal voorschieten wij zullen voorschieten jullie zullen voorschieten zij zullen voorschieten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal voorgeschoten hebben jij zult voorgeschoten hebben hij zal voorgeschoten hebben wij zullen voorgeschoten hebben jullie zullen voorgeschoten hebben zij zullen voorgeschoten hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou voorschieten jij zou voorschieten hij zou voorschieten wij zouden voorschieten jullie zouden voorschieten zij zouden voorschieten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou voorgeschoten hebben jij zou voorgeschoten hebben hij zou voorgeschoten hebben wij zouden voorgeschoten hebben jullie zouden voorgeschoten hebben zij zouden voorgeschoten hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
schiet voor
|