NL: voorproevenDE: vorschmecken
EN: taste beforehand
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
voorgeproefd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik proef voor jij proeft voor hij proeft voor wij proeven voor jullie proeven voor zij proeven voor
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb voorgeproefd jij hebt voorgeproefd hij heeft voorgeproefd wij hebben voorgeproefd jullie hebben voorgeproefd zij hebben voorgeproefd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik proefde voor jij proefde voor hij proefde voor wij proefden voor jullie proefden voor zij proefden voor
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had voorgeproefd jij had voorgeproefd hij had voorgeproefd wij hadden voorgeproefd jullie hadden voorgeproefd zij hadden voorgeproefd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal voorproeven jij zult voorproeven hij zal voorproeven wij zullen voorproeven jullie zullen voorproeven zij zullen voorproeven
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal voorgeproefd hebben jij zult voorgeproefd hebben hij zal voorgeproefd hebben wij zullen voorgeproefd hebben jullie zullen voorgeproefd hebben zij zullen voorgeproefd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou voorproeven jij zou voorproeven hij zou voorproeven wij zouden voorproeven jullie zouden voorproeven zij zouden voorproeven
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou voorgeproefd hebben jij zou voorgeproefd hebben hij zou voorgeproefd hebben wij zouden voorgeproefd hebben jullie zouden voorgeproefd hebben zij zouden voorgeproefd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
proef voor
|