NL: voorliegenSynoniemen: beduvelen, misleiden, voorjokken
DE: lügen, erfinden, schwindeln, beschwindeln, ersinnen, erdichten, fabulieren
EN: fabricate, lie, fib, make up
ES: contar un cuento chino
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
voorgelogen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik lieg voor jij liegt voor hij liegt voor wij liegen voor jullie liegen voor zij liegen voor
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb voorgelogen jij hebt voorgelogen hij heeft voorgelogen wij hebben voorgelogen jullie hebben voorgelogen zij hebben voorgelogen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik loog voor jij loog voor hij loog voor wij logen voor jullie logen voor zij logen voor
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had voorgelogen jij had voorgelogen hij had voorgelogen wij hadden voorgelogen jullie hadden voorgelogen zij hadden voorgelogen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal voorliegen jij zult voorliegen hij zal voorliegen wij zullen voorliegen jullie zullen voorliegen zij zullen voorliegen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal voorgelogen hebben jij zult voorgelogen hebben hij zal voorgelogen hebben wij zullen voorgelogen hebben jullie zullen voorgelogen hebben zij zullen voorgelogen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou voorliegen jij zou voorliegen hij zou voorliegen wij zouden voorliegen jullie zouden voorliegen zij zouden voorliegen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou voorgelogen hebben jij zou voorgelogen hebben hij zou voorgelogen hebben wij zouden voorgelogen hebben jullie zouden voorgelogen hebben zij zouden voorgelogen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
lieg voor
|