NL: voorbidden U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
voorgebeden
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bid voor jij bidt voor hij bidt voor wij bidden voor jullie bidden voor zij bidden voor
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb voorgebeden jij hebt voorgebeden hij heeft voorgebeden wij hebben voorgebeden jullie hebben voorgebeden zij hebben voorgebeden
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bad voor jij bad voor hij bad voor wij baden voor jullie baden voor zij baden voor
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had voorgebeden jij had voorgebeden hij had voorgebeden wij hadden voorgebeden jullie hadden voorgebeden zij hadden voorgebeden
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal voorbidden jij zult voorbidden hij zal voorbidden wij zullen voorbidden jullie zullen voorbidden zij zullen voorbidden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal voorgebeden hebben jij zult voorgebeden hebben hij zal voorgebeden hebben wij zullen voorgebeden hebben jullie zullen voorgebeden hebben zij zullen voorgebeden hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou voorbidden jij zou voorbidden hij zou voorbidden wij zouden voorbidden jullie zouden voorbidden zij zouden voorbidden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou voorgebeden hebben jij zou voorgebeden hebben hij zou voorgebeden hebben wij zouden voorgebeden hebben jullie zouden voorgebeden hebben zij zouden voorgebeden hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bid voor
|