NL: voorbereidenSynoniemen: beramen, prepareren, verhitten, toebereiden, prikkelen, opwinden, bereiden, aanwakkeren, aanmaken, opleiden
DE: das Vorbereiten, das Herrichten, das Anrichten
EN: the preparing
ES: la preparación
FR: la préparation
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
voorbereid
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bereid voor jij bereidt voor hij bereidt voor wij bereiden voor jullie bereiden voor zij bereiden voor
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb voorbereid jij hebt voorbereid hij heeft voorbereid wij hebben voorbereid jullie hebben voorbereid zij hebben voorbereid
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bereidde voor jij bereidde voor hij bereidde voor wij bereidden voor jullie bereidden voor zij bereidden voor
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had voorbereid jij had voorbereid hij had voorbereid wij hadden voorbereid jullie hadden voorbereid zij hadden voorbereid
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal voorbereiden jij zult voorbereiden hij zal voorbereiden wij zullen voorbereiden jullie zullen voorbereiden zij zullen voorbereiden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal voorbereid hebben jij zult voorbereid hebben hij zal voorbereid hebben wij zullen voorbereid hebben jullie zullen voorbereid hebben zij zullen voorbereid hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou voorbereiden jij zou voorbereiden hij zou voorbereiden wij zouden voorbereiden jullie zouden voorbereiden zij zouden voorbereiden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou voorbereid hebben jij zou voorbereid hebben hij zou voorbereid hebben wij zouden voorbereid hebben jullie zouden voorbereid hebben zij zouden voorbereid hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bereid voor
|