NL: vleienSynoniemen: aanhalen, flatteren, flemen, flikflooien, liefkozen, likken, meepraten, pluimstrijken, streling, vlemen, kruipen, liefkozing, gestreel, aaiing, aai
DE: vleien (stroop om de mond smeren): flattieren, schmeicheln, schwänzeln, Honig um den Bart schmieren
EN: vleien (stroop om de mond smeren): butter someone up, toady to someone, kiss up to someone, softsoap someone
ES: vleien (stroop om de mond smeren): gatear, halagar, adular, engatusar, dar coba a
FR: vleien (stroop om de mond smeren): flatter, manier la brosse à reluire, flagorner, ramper, marcher à quatre pattes
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gevleid
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vlei jij vleit hij vleit wij vleien jullie vleien zij vleien
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gevleid jij hebt gevleid hij heeft gevleid wij hebben gevleid jullie hebben gevleid zij hebben gevleid
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vleide jij vleide hij vleide wij vleiden jullie vleiden zij vleiden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gevleid jij had gevleid hij had gevleid wij hadden gevleid jullie hadden gevleid zij hadden gevleid
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vleien jij zult vleien hij zal vleien wij zullen vleien jullie zullen vleien zij zullen vleien
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gevleid hebben jij zult gevleid hebben hij zal gevleid hebben wij zullen gevleid hebben jullie zullen gevleid hebben zij zullen gevleid hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vleien jij zou vleien hij zou vleien wij zouden vleien jullie zouden vleien zij zouden vleien
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gevleid hebben jij zou gevleid hebben hij zou gevleid hebben wij zouden gevleid hebben jullie zouden gevleid hebben zij zouden gevleid hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vlei
|