NL: vissenSynoniemen: visvangen, hengelsport, hengelen
DE: vissen (visvangen): fischen, angeln
EN: vissen (visvangen): fish, angle
ES: vissen (visvangen): pescar con caña, pescar
FR: vissen (visvangen): pêcher, pêcher à la ligne
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gevist
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vis jij vist hij vist wij vissen jullie vissen zij vissen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gevist jij hebt gevist hij heeft gevist wij hebben gevist jullie hebben gevist zij hebben gevist
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik viste jij viste hij viste wij visten jullie visten zij visten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gevist jij had gevist hij had gevist wij hadden gevist jullie hadden gevist zij hadden gevist
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vissen jij zult vissen hij zal vissen wij zullen vissen jullie zullen vissen zij zullen vissen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gevist hebben jij zult gevist hebben hij zal gevist hebben wij zullen gevist hebben jullie zullen gevist hebben zij zullen gevist hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vissen jij zou vissen hij zou vissen wij zouden vissen jullie zouden vissen zij zouden vissen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gevist hebben jij zou gevist hebben hij zou gevist hebben wij zouden gevist hebben jullie zouden gevist hebben zij zouden gevist hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vis
|