NL: vijzelenDE: aufschrauben
FR: soulever à l'aide d'un cric, lever à l'aide d'un vérin
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gevijzeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vijzel jij vijzelt hij vijzelt wij vijzelen jullie vijzelen zij vijzelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gevijzeld jij hebt gevijzeld hij heeft gevijzeld wij hebben gevijzeld jullie hebben gevijzeld zij hebben gevijzeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vijzelde jij vijzelde hij vijzelde wij vijzelden jullie vijzelden zij vijzelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gevijzeld jij had gevijzeld hij had gevijzeld wij hadden gevijzeld jullie hadden gevijzeld zij hadden gevijzeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vijzelen jij zult vijzelen hij zal vijzelen wij zullen vijzelen jullie zullen vijzelen zij zullen vijzelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gevijzeld hebben jij zult gevijzeld hebben hij zal gevijzeld hebben wij zullen gevijzeld hebben jullie zullen gevijzeld hebben zij zullen gevijzeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vijzelen jij zou vijzelen hij zou vijzelen wij zouden vijzelen jullie zouden vijzelen zij zouden vijzelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gevijzeld hebben jij zou gevijzeld hebben hij zou gevijzeld hebben wij zouden gevijzeld hebben jullie zouden gevijzeld hebben zij zouden gevijzeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vijzel
|