NL: verzekerenSynoniemen: assureren, bevestigen, garanderen, solideren, vastmaken, veiligstellen, beweren, waarborgen, verbinden, vastzetten, vastleggen, vastbinden
DE: verzekeren (garanderen): sicherstellen, gewährleisten, garantieren
EN: verzekeren (garanderen): guarantee, warrant, vouch for, underwrite
ES: verzekeren (garanderen): garantizar, avalar
FR: verzekeren (garanderen): garantir, assurer, ratifier, rassurer, être garant de, certifier, répondre pour, se porter garant, se porter caution pour
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verzekerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verzeker jij verzekert hij verzekert wij verzekeren jullie verzekeren zij verzekeren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verzekerd jij hebt verzekerd hij heeft verzekerd wij hebben verzekerd jullie hebben verzekerd zij hebben verzekerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verzekerde jij verzekerde hij verzekerde wij verzekerden jullie verzekerden zij verzekerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verzekerd jij had verzekerd hij had verzekerd wij hadden verzekerd jullie hadden verzekerd zij hadden verzekerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verzekeren jij zult verzekeren hij zal verzekeren wij zullen verzekeren jullie zullen verzekeren zij zullen verzekeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verzekerd hebben jij zult verzekerd hebben hij zal verzekerd hebben wij zullen verzekerd hebben jullie zullen verzekerd hebben zij zullen verzekerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verzekeren jij zou verzekeren hij zou verzekeren wij zouden verzekeren jullie zouden verzekeren zij zouden verzekeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verzekerd hebben jij zou verzekerd hebben hij zou verzekerd hebben wij zouden verzekerd hebben jullie zouden verzekerd hebben zij zouden verzekerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verzeker
|