NL: verwelkenSynoniemen: verwelken, verdorren, verkommeren, verleppen
DE: welken, abblühen, ausblühen, ausdorren, ausdörren, verblühen, verdorren, welken, abblühen, ausblühen, ausdorren, ausdörren, verblühen, verdorren
EN: wither
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verwelkt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verwelk jij verwelkt hij verwelkt wij verwelken jullie verwelken zij verwelken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verwelkt jij hebt verwelkt hij heeft verwelkt wij hebben verwelkt jullie hebben verwelkt zij hebben verwelkt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verwelkte jij verwelkte hij verwelkte wij verwelkten jullie verwelkten zij verwelkten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verwelkt jij had verwelkt hij had verwelkt wij hadden verwelkt jullie hadden verwelkt zij hadden verwelkt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verwelken jij zult verwelken hij zal verwelken wij zullen verwelken jullie zullen verwelken zij zullen verwelken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verwelkt hebben jij zult verwelkt hebben hij zal verwelkt hebben wij zullen verwelkt hebben jullie zullen verwelkt hebben zij zullen verwelkt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verwelken jij zou verwelken hij zou verwelken wij zouden verwelken jullie zouden verwelken zij zouden verwelken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verwelkt hebben jij zou verwelkt hebben hij zou verwelkt hebben wij zouden verwelkt hebben jullie zouden verwelkt hebben zij zouden verwelkt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verwelk
|
DE: verwelkenSynoniemen: welken, abblühen, ausblühen, ausdorren, ausdörren, verblühen, verdorren, welken, abblühen, ausblühen, ausdorren, ausdörren, verblühen, verdorren
NL: verwelken, verdorren, verkommeren, verleppen
EN: wither
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
verwelkt verwelkend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich verwelke du verwelkst er verwelkt wir verwelken ihr verwelkt sie; Sie verwelken
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bin verwelkt du bist verwelkt er ist verwelkt wir sind verwelkt ihr seid verwelkt sie; Sie sind verwelkt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich verwelkte du verwelktest er verwelkte wir verwelkten ihr verwelktet sie; Sie verwelkten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich war verwelkt du warst verwelkt er war verwelkt wir waren verwelkt ihr wart verwelkt sie; Sie waren verwelkt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde verwelken du wirst verwelken er wird verwelken wir werden verwelken ihr werdet verwelken sie; Sie werden verwelken
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde verwelkt sein du wirst verwelkt sein er wird verwelkt sein wir werden verwelkt sein ihr werdet verwelkt sein sie; Sie werden verwelkt sein
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich verwelke du verwelkest er verwelke wir verwelken ihr verwelket sie; Sie verwelken
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich sei verwelkt du seiest verwelkt er sei verwelkt wir seien verwelkt ihr seiet verwelkt sie; Sie seien verwelkt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich verwelkte du verwelktest er verwelkte wir verwelkten ihr verwelktet sie; Sie verwelkten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich wäre verwelkt du wärest verwelkt er wäre verwelkt wir wären verwelkt ihr wäret verwelkt sie; Sie wären verwelkt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde verwelken du würdest verwelken er würde verwelken wir würden verwelken ihr würdet verwelken sie; Sie würden verwelken
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde verwelkt sein du würdest verwelkt sein er würde verwelkt sein wir würden verwelkt sein ihr würdet verwelkt sein sie; Sie würden verwelkt sein
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du verwelke
|