NL: verwekenSynoniemen: smelten, zachtmaken, ontharden, weken
DE: verweken (week worden): einweichen, aufweichen, erweichen, weich werden
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verweekt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verweek jij verweekt hij verweekt wij verweken jullie verweken zij verweken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verweekt jij hebt verweekt hij heeft verweekt wij hebben verweekt jullie hebben verweekt zij hebben verweekt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verweekte jij verweekte hij verweekte wij verweekten jullie verweekten zij verweekten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verweekt jij had verweekt hij had verweekt wij hadden verweekt jullie hadden verweekt zij hadden verweekt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verweken jij zult verweken hij zal verweken wij zullen verweken jullie zullen verweken zij zullen verweken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verweekt hebben jij zult verweekt hebben hij zal verweekt hebben wij zullen verweekt hebben jullie zullen verweekt hebben zij zullen verweekt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verweken jij zou verweken hij zou verweken wij zouden verweken jullie zouden verweken zij zouden verweken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verweekt hebben jij zou verweekt hebben hij zou verweekt hebben wij zouden verweekt hebben jullie zouden verweekt hebben zij zouden verweekt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verweek
|