NL: vervormenSynoniemen: deformeren, mismaken, misvormen, omtoveren, reorganiseren, verbasteren, omvormen
DE: vervormen (een andere vorm geven): verziehen, sichverformen, verzerren, umformen, umbilden
EN: vervormen (een andere vorm geven): deform, disfigure, transform, change form
FR: vervormen (een andere vorm geven): déformer, transformer, défigurer, changer la forme
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
vervormd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vervorm jij vervormt hij vervormt wij vervormen jullie vervormen zij vervormen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb vervormd jij hebt vervormd hij heeft vervormd wij hebben vervormd jullie hebben vervormd zij hebben vervormd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vervormde jij vervormde hij vervormde wij vervormden jullie vervormden zij vervormden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had vervormd jij had vervormd hij had vervormd wij hadden vervormd jullie hadden vervormd zij hadden vervormd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vervormen jij zult vervormen hij zal vervormen wij zullen vervormen jullie zullen vervormen zij zullen vervormen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal vervormd hebben jij zult vervormd hebben hij zal vervormd hebben wij zullen vervormd hebben jullie zullen vervormd hebben zij zullen vervormd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vervormen jij zou vervormen hij zou vervormen wij zouden vervormen jullie zouden vervormen zij zouden vervormen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou vervormd hebben jij zou vervormd hebben hij zou vervormd hebben wij zouden vervormd hebben jullie zouden vervormd hebben zij zouden vervormd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vervorm
|