NL: vervlechtenSynoniemen: verweven, ineenvlechten
DE: verschlingen, verflechten, flechten, verketten, einflechten, verweben, einweben, zusammenflechten
EN: intertwine, interweave, interlace
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
vervlochten
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vervlecht jij vervlecht hij vervlecht wij vervlechten jullie vervlechten zij vervlechten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb vervlochten jij hebt vervlochten hij heeft vervlochten wij hebben vervlochten jullie hebben vervlochten zij hebben vervlochten
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vervlocht jij vervlocht hij vervlocht wij vervlochten jullie vervlochten zij vervlochten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had vervlochten jij had vervlochten hij had vervlochten wij hadden vervlochten jullie hadden vervlochten zij hadden vervlochten
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vervlechten jij zult vervlechten hij zal vervlechten wij zullen vervlechten jullie zullen vervlechten zij zullen vervlechten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal vervlochten hebben jij zult vervlochten hebben hij zal vervlochten hebben wij zullen vervlochten hebben jullie zullen vervlochten hebben zij zullen vervlochten hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vervlechten jij zou vervlechten hij zou vervlechten wij zouden vervlechten jullie zouden vervlechten zij zouden vervlechten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou vervlochten hebben jij zou vervlochten hebben hij zou vervlochten hebben wij zouden vervlochten hebben jullie zouden vervlochten hebben zij zouden vervlochten hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vervlecht
|