NL: vervlakkenSynoniemen: afstompen
EN: vervlakken (afstompen): blunt, become dull
ES: vervlakken (afstompen): igualar, embotarse, entorpecer, embotar, nivelar, atontarse, entorpecerse, embrutecerse
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
vervlakt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vervlak jij vervlakt hij vervlakt wij vervlakken jullie vervlakken zij vervlakken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb vervlakt jij hebt vervlakt hij heeft vervlakt wij hebben vervlakt jullie hebben vervlakt zij hebben vervlakt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vervlakte jij vervlakte hij vervlakte wij vervlakten jullie vervlakten zij vervlakten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had vervlakt jij had vervlakt hij had vervlakt wij hadden vervlakt jullie hadden vervlakt zij hadden vervlakt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vervlakken jij zult vervlakken hij zal vervlakken wij zullen vervlakken jullie zullen vervlakken zij zullen vervlakken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal vervlakt hebben jij zult vervlakt hebben hij zal vervlakt hebben wij zullen vervlakt hebben jullie zullen vervlakt hebben zij zullen vervlakt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vervlakken jij zou vervlakken hij zou vervlakken wij zouden vervlakken jullie zouden vervlakken zij zouden vervlakken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou vervlakt hebben jij zou vervlakt hebben hij zou vervlakt hebben wij zouden vervlakt hebben jullie zouden vervlakt hebben zij zouden vervlakt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vervlak
|