NL: vervelenSynoniemen: hinderen, klieren, verveeld, vermoeien, tegenstaan, ergeren
DE: langweilen
EN: be boring, bore
ES: aburrir, cansar
FR: ennuyer, embêter
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verveeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verveel jij verveelt hij verveelt wij vervelen jullie vervelen zij vervelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verveeld jij hebt verveeld hij heeft verveeld wij hebben verveeld jullie hebben verveeld zij hebben verveeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verveelde jij verveelde hij verveelde wij verveelden jullie verveelden zij verveelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verveeld jij had verveeld hij had verveeld wij hadden verveeld jullie hadden verveeld zij hadden verveeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vervelen jij zult vervelen hij zal vervelen wij zullen vervelen jullie zullen vervelen zij zullen vervelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verveeld hebben jij zult verveeld hebben hij zal verveeld hebben wij zullen verveeld hebben jullie zullen verveeld hebben zij zullen verveeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vervelen jij zou vervelen hij zou vervelen wij zouden vervelen jullie zouden vervelen zij zouden vervelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verveeld hebben jij zou verveeld hebben hij zou verveeld hebben wij zouden verveeld hebben jullie zouden verveeld hebben zij zouden verveeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verveel
|