NL: vertrouwenSynoniemen: bouwen, vertrouw, fiducie, geloof, , toevertrouwen, confidentie, hoop
DE: vertrauen
EN: trust
ES: confiar en, fiarse de, fiarse
FR: avoir confiance, se fier à
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
vertrouwd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vertrouw jij vertrouwt hij vertrouwt wij vertrouwen jullie vertrouwen zij vertrouwen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb vertrouwd jij hebt vertrouwd hij heeft vertrouwd wij hebben vertrouwd jullie hebben vertrouwd zij hebben vertrouwd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vertrouwde jij vertrouwde hij vertrouwde wij vertrouwden jullie vertrouwden zij vertrouwden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had vertrouwd jij had vertrouwd hij had vertrouwd wij hadden vertrouwd jullie hadden vertrouwd zij hadden vertrouwd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vertrouwen jij zult vertrouwen hij zal vertrouwen wij zullen vertrouwen jullie zullen vertrouwen zij zullen vertrouwen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal vertrouwd hebben jij zult vertrouwd hebben hij zal vertrouwd hebben wij zullen vertrouwd hebben jullie zullen vertrouwd hebben zij zullen vertrouwd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vertrouwen jij zou vertrouwen hij zou vertrouwen wij zouden vertrouwen jullie zouden vertrouwen zij zouden vertrouwen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou vertrouwd hebben jij zou vertrouwd hebben hij zou vertrouwd hebben wij zouden vertrouwd hebben jullie zouden vertrouwd hebben zij zouden vertrouwd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vertrouw
|