NL: vertonenDE: komponieren, arrangieren, instrumentieren, in Töne setzen, orchestrieren, Musik schreiben
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
vertoond
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vertoon jij vertoont hij vertoont wij vertonen jullie vertonen zij vertonen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb vertoond jij hebt vertoond hij heeft vertoond wij hebben vertoond jullie hebben vertoond zij hebben vertoond
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vertoonde jij vertoonde hij vertoonde wij vertoonden jullie vertoonden zij vertoonden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had vertoond jij had vertoond hij had vertoond wij hadden vertoond jullie hadden vertoond zij hadden vertoond
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vertonen jij zult vertonen hij zal vertonen wij zullen vertonen jullie zullen vertonen zij zullen vertonen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal vertoond hebben jij zult vertoond hebben hij zal vertoond hebben wij zullen vertoond hebben jullie zullen vertoond hebben zij zullen vertoond hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vertonen jij zou vertonen hij zou vertonen wij zouden vertonen jullie zouden vertonen zij zouden vertonen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou vertoond hebben jij zou vertoond hebben hij zou vertoond hebben wij zouden vertoond hebben jullie zouden vertoond hebben zij zouden vertoond hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vertoon
|
DE: vertonenSynoniemen: komponieren, arrangieren, instrumentieren, in Töne setzen, orchestrieren, Musik schreiben
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
vertont vertonend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich vertone du vertonst er vertont wir vertonen ihr vertont sie; Sie vertonen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe vertont du hast vertont er hat vertont wir haben vertont ihr habt vertont sie; Sie haben vertont
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich vertonte du vertontest er vertonte wir vertonten ihr vertontet sie; Sie vertonten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte vertont du hattest vertont er hatte vertont wir hatten vertont ihr hattet vertont sie; Sie hatten vertont
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde vertonen du wirst vertonen er wird vertonen wir werden vertonen ihr werdet vertonen sie; Sie werden vertonen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde vertont haben du wirst vertont haben er wird vertont haben wir werden vertont haben ihr werdet vertont haben sie; Sie werden vertont haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich vertone du vertonest er vertone wir vertonen ihr vertonet sie; Sie vertonen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe vertont du habest vertont er habe vertont wir haben vertont ihr habet vertont sie; Sie haben vertont
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich vertonte du vertontest er vertonte wir vertonten ihr vertontet sie; Sie vertonten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte vertont du hättest vertont er hätte vertont wir hätten vertont ihr hättet vertont sie; Sie hätten vertont
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde vertonen du würdest vertonen er würde vertonen wir würden vertonen ihr würdet vertonen sie; Sie würden vertonen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde vertont haben du würdest vertont haben er würde vertont haben wir würden vertont haben ihr würdet vertont haben sie; Sie würden vertont haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du vertone
|