NL: vertolkenSynoniemen: interpreteren, reproduceren, verpersonificeren, vertalen, weergeven, translateren, overbrengen, verwoorden, uiten, uitdrukken, verbeelden, uitbeelden, overzetten
DE: vertolken (uitdrukking geven aan): in Worte fassen, ausdrücken, mitteilen, sich aus drücken
EN: vertolken (uitdrukking geven aan): express, utter, express oneself, give expression to, ventilate, impersonate, reveal oneself, talk, speak
ES: vertolken (uitdrukking geven aan): decir, expresar, hablar, desentrañar, desembrollar, parlar, deshilarse, escoger, pronunciarse, desenmarañar, apagar, dictar, caracterizar
FR: vertolken (uitdrukking geven aan): exprimer, raconter, avancer, prononcer, interpréter, communiquer, dire, traduire, proférer, parler, manifester, imiter, s'exprimer, formuler, se manifester
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
vertolkt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vertolk jij vertolkt hij vertolkt wij vertolken jullie vertolken zij vertolken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb vertolkt jij hebt vertolkt hij heeft vertolkt wij hebben vertolkt jullie hebben vertolkt zij hebben vertolkt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vertolkte jij vertolkte hij vertolkte wij vertolkten jullie vertolkten zij vertolkten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had vertolkt jij had vertolkt hij had vertolkt wij hadden vertolkt jullie hadden vertolkt zij hadden vertolkt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vertolken jij zult vertolken hij zal vertolken wij zullen vertolken jullie zullen vertolken zij zullen vertolken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal vertolkt hebben jij zult vertolkt hebben hij zal vertolkt hebben wij zullen vertolkt hebben jullie zullen vertolkt hebben zij zullen vertolkt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vertolken jij zou vertolken hij zou vertolken wij zouden vertolken jullie zouden vertolken zij zouden vertolken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou vertolkt hebben jij zou vertolkt hebben hij zou vertolkt hebben wij zouden vertolkt hebben jullie zouden vertolkt hebben zij zouden vertolkt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vertolk
|