NL: verterenSynoniemen: doorstaan, opeten, opmaken, opteren, pruimen, uitgeven, verbruiken, vergaan, verslijten, wegrotten, zinken, verrotten, teruggaan, tenondergaan, instorten, bezwijken, achteruitgaan, verorberen, slopen, consumeren, verduren, verdragen, doorleven, slijten, a
DE: verteren (doorstaan): vertragen, bestehen, erfahren, verdauen, dulden, erleben, aushalten, überdauern, leiden, überstehen, erleiden, stehlen, durchhalten, ausharren, tragen
EN: verteren (doorstaan): bear, endure, sustain, stand
ES: verteren (doorstaan): sufrir, soportar, ponerse, padecer, gastar, digerir, aguantar, resistir, desaparecer, consumir, experimentar, hundirse, comerse, sucumbir, pasar por
FR: verteren (doorstaan): soutenir, souffrir, endurer, dépenser, tolérer, se consommer, subir, supporter, tenir le coup, traverser, débourser
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verteer jij verteert hij verteert wij verteren jullie verteren zij verteren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verteerd jij hebt verteerd hij heeft verteerd wij hebben verteerd jullie hebben verteerd zij hebben verteerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verteerde jij verteerde hij verteerde wij verteerden jullie verteerden zij verteerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verteerd jij had verteerd hij had verteerd wij hadden verteerd jullie hadden verteerd zij hadden verteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verteren jij zult verteren hij zal verteren wij zullen verteren jullie zullen verteren zij zullen verteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verteerd hebben jij zult verteerd hebben hij zal verteerd hebben wij zullen verteerd hebben jullie zullen verteerd hebben zij zullen verteerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verteren jij zou verteren hij zou verteren wij zouden verteren jullie zouden verteren zij zouden verteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verteerd hebben jij zou verteerd hebben hij zou verteerd hebben wij zouden verteerd hebben jullie zouden verteerd hebben zij zouden verteerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verteer
|