NL: vertalenSynoniemen: interpreteren, overbrengen, overzetten, translateren, vertolken
DE: uebersetzen, interpretieren, äußern
EN: interpret, translate
ES: interpretar
FR: traduire, interpréter, faire une traduction
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
vertaald
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vertaal jij vertaalt hij vertaalt wij vertalen jullie vertalen zij vertalen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb vertaald jij hebt vertaald hij heeft vertaald wij hebben vertaald jullie hebben vertaald zij hebben vertaald
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vertaalde jij vertaalde hij vertaalde wij vertaalden jullie vertaalden zij vertaalden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had vertaald jij had vertaald hij had vertaald wij hadden vertaald jullie hadden vertaald zij hadden vertaald
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vertalen jij zult vertalen hij zal vertalen wij zullen vertalen jullie zullen vertalen zij zullen vertalen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal vertaald hebben jij zult vertaald hebben hij zal vertaald hebben wij zullen vertaald hebben jullie zullen vertaald hebben zij zullen vertaald hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vertalen jij zou vertalen hij zou vertalen wij zouden vertalen jullie zouden vertalen zij zouden vertalen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou vertaald hebben jij zou vertaald hebben hij zou vertaald hebben wij zouden vertaald hebben jullie zouden vertaald hebben zij zouden vertaald hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vertaal
|