NL: verstarrenSynoniemen: verstenen, verstijven
ES: quedarse rígido, agarrotarse, inmobilizarse
FR: figer, endurcir, durcir, raidir, pétrifier, engourdir, s'endurcir
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verstard
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verstar jij verstart hij verstart wij verstarren jullie verstarren zij verstarren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verstard jij hebt verstard hij heeft verstard wij hebben verstard jullie hebben verstard zij hebben verstard
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verstarde jij verstarde hij verstarde wij verstarden jullie verstarden zij verstarden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verstard jij had verstard hij had verstard wij hadden verstard jullie hadden verstard zij hadden verstard
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verstarren jij zult verstarren hij zal verstarren wij zullen verstarren jullie zullen verstarren zij zullen verstarren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verstard hebben jij zult verstard hebben hij zal verstard hebben wij zullen verstard hebben jullie zullen verstard hebben zij zullen verstard hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verstarren jij zou verstarren hij zou verstarren wij zouden verstarren jullie zouden verstarren zij zouden verstarren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verstard hebben jij zou verstard hebben hij zou verstard hebben wij zouden verstard hebben jullie zouden verstard hebben zij zouden verstard hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verstar
|