NL: versprekenSynoniemen: doorpraten
EN: make a slip
ES: escapar, resbalar, irse de la lengua, equivocarse al hablar
FR: faire un lapsus, se tromper
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
versproken
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verspreek jij verspreekt hij verspreekt wij verspreken jullie verspreken zij verspreken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb versproken jij hebt versproken hij heeft versproken wij hebben versproken jullie hebben versproken zij hebben versproken
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik versprak jij versprak hij versprak wij verspraken jullie verspraken zij verspraken
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had versproken jij had versproken hij had versproken wij hadden versproken jullie hadden versproken zij hadden versproken
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verspreken jij zult verspreken hij zal verspreken wij zullen verspreken jullie zullen verspreken zij zullen verspreken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal versproken hebben jij zult versproken hebben hij zal versproken hebben wij zullen versproken hebben jullie zullen versproken hebben zij zullen versproken hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verspreken jij zou verspreken hij zou verspreken wij zouden verspreken jullie zouden verspreken zij zouden verspreken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou versproken hebben jij zou versproken hebben hij zou versproken hebben wij zouden versproken hebben jullie zouden versproken hebben zij zouden versproken hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verspreek
|