NL: versmeltenSynoniemen: samensmelten, smelten, ineensmelten, fuseren
DE: versmelten (samensmelten): verschmelzen, zusammenfügen, zerschmelzen, zusammenlegen, kompilieren, zusammenschmelzen
EN: versmelten (samensmelten): merge, fuse, melt together
ES: versmelten (samensmelten): fusionar, fusionarse
FR: versmelten (samensmelten): joindre, fusionner, fondre, se fondre, réunir, s'intégrer, confluer, s'unir, se souder
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
versmolten
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik versmelt jij versmelt hij versmelt wij versmelten jullie versmelten zij versmelten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb versmolten jij hebt versmolten hij heeft versmolten wij hebben versmolten jullie hebben versmolten zij hebben versmolten
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik versmolt jij versmolt hij versmolt wij versmolten jullie versmolten zij versmolten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had versmolten jij had versmolten hij had versmolten wij hadden versmolten jullie hadden versmolten zij hadden versmolten
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal versmelten jij zult versmelten hij zal versmelten wij zullen versmelten jullie zullen versmelten zij zullen versmelten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal versmolten hebben jij zult versmolten hebben hij zal versmolten hebben wij zullen versmolten hebben jullie zullen versmolten hebben zij zullen versmolten hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou versmelten jij zou versmelten hij zou versmelten wij zouden versmelten jullie zouden versmelten zij zouden versmelten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou versmolten hebben jij zou versmolten hebben hij zou versmolten hebben wij zouden versmolten hebben jullie zouden versmolten hebben zij zouden versmolten hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
versmelt
|