NL: verschrompelenSynoniemen: samentrekken, schrompelen, slinken, uitdrogen, indrogen
DE: schrumpfen, einschrumpfen, falten, schwinden, schrumpeln, zusammenschrumpfen, eintrocknen, sichkrümmen, runzligwerden
EN: shrivel up, wither
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verschrompeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verschrompel jij verschrompelt hij verschrompelt wij verschrompelen jullie verschrompelen zij verschrompelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verschrompeld jij hebt verschrompeld hij heeft verschrompeld wij hebben verschrompeld jullie hebben verschrompeld zij hebben verschrompeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verschrompelde jij verschrompelde hij verschrompelde wij verschrompelden jullie verschrompelden zij verschrompelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verschrompeld jij had verschrompeld hij had verschrompeld wij hadden verschrompeld jullie hadden verschrompeld zij hadden verschrompeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verschrompelen jij zult verschrompelen hij zal verschrompelen wij zullen verschrompelen jullie zullen verschrompelen zij zullen verschrompelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verschrompeld hebben jij zult verschrompeld hebben hij zal verschrompeld hebben wij zullen verschrompeld hebben jullie zullen verschrompeld hebben zij zullen verschrompeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verschrompelen jij zou verschrompelen hij zou verschrompelen wij zouden verschrompelen jullie zouden verschrompelen zij zouden verschrompelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verschrompeld hebben jij zou verschrompeld hebben hij zou verschrompeld hebben wij zouden verschrompeld hebben jullie zouden verschrompeld hebben zij zouden verschrompeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verschrompel
|