NL: verschillenSynoniemen: afwijken, ontlopen, uiteenlopen, variëren, variren, schelen, wisselen, veranderen, afwisselen
DE: die Unterschiede, die Differenzen
EN: the differing, the diverge
ES: la diferencia, la divergencia
FR: la différence, la déviation
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verschild
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verschil jij verschilt hij verschilt wij verschillen jullie verschillen zij verschillen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verschild jij hebt verschild hij heeft verschild wij hebben verschild jullie hebben verschild zij hebben verschild
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verschilde jij verschilde hij verschilde wij verschilden jullie verschilden zij verschilden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verschild jij had verschild hij had verschild wij hadden verschild jullie hadden verschild zij hadden verschild
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verschillen jij zult verschillen hij zal verschillen wij zullen verschillen jullie zullen verschillen zij zullen verschillen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verschild hebben jij zult verschild hebben hij zal verschild hebben wij zullen verschild hebben jullie zullen verschild hebben zij zullen verschild hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verschillen jij zou verschillen hij zou verschillen wij zouden verschillen jullie zouden verschillen zij zouden verschillen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verschild hebben jij zou verschild hebben hij zou verschild hebben wij zouden verschild hebben jullie zouden verschild hebben zij zouden verschild hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verschil
|