NL: verrukkenSynoniemen: charmeren, verblijden, verheugd, plezieren
DE: entzücken
EN: entrance
ES: encantar
FR: ravir
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verrukt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verruk jij verrukt hij verrukt wij verrukken jullie verrukken zij verrukken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verrukt jij hebt verrukt hij heeft verrukt wij hebben verrukt jullie hebben verrukt zij hebben verrukt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verrukte jij verrukte hij verrukte wij verrukten jullie verrukten zij verrukten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verrukt jij had verrukt hij had verrukt wij hadden verrukt jullie hadden verrukt zij hadden verrukt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verrukken jij zult verrukken hij zal verrukken wij zullen verrukken jullie zullen verrukken zij zullen verrukken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verrukt hebben jij zult verrukt hebben hij zal verrukt hebben wij zullen verrukt hebben jullie zullen verrukt hebben zij zullen verrukt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verrukken jij zou verrukken hij zou verrukken wij zouden verrukken jullie zouden verrukken zij zouden verrukken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verrukt hebben jij zou verrukt hebben hij zou verrukt hebben wij zouden verrukt hebben jullie zouden verrukt hebben zij zouden verrukt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verruk
|