NL: verrechtvaardigen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verrechtvaardigd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verrechtvaardig jij verrechtvaardigt hij verrechtvaardigt wij verrechtvaardigen jullie verrechtvaardigen zij verrechtvaardigen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verrechtvaardigd jij hebt verrechtvaardigd hij heeft verrechtvaardigd wij hebben verrechtvaardigd jullie hebben verrechtvaardigd zij hebben verrechtvaardigd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verrechtvaardigde jij verrechtvaardigde hij verrechtvaardigde wij verrechtvaardigden jullie verrechtvaardigden zij verrechtvaardigden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verrechtvaardigd jij had verrechtvaardigd hij had verrechtvaardigd wij hadden verrechtvaardigd jullie hadden verrechtvaardigd zij hadden verrechtvaardigd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verrechtvaardigen jij zult verrechtvaardigen hij zal verrechtvaardigen wij zullen verrechtvaardigen jullie zullen verrechtvaardigen zij zullen verrechtvaardigen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verrechtvaardigd hebben jij zult verrechtvaardigd hebben hij zal verrechtvaardigd hebben wij zullen verrechtvaardigd hebben jullie zullen verrechtvaardigd hebben zij zullen verrechtvaardigd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verrechtvaardigen jij zou verrechtvaardigen hij zou verrechtvaardigen wij zouden verrechtvaardigen jullie zouden verrechtvaardigen zij zouden verrechtvaardigen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verrechtvaardigd hebben jij zou verrechtvaardigd hebben hij zou verrechtvaardigd hebben wij zouden verrechtvaardigd hebben jullie zouden verrechtvaardigd hebben zij zouden verrechtvaardigd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verrechtvaardig
|