NL: verprutsenSynoniemen: bederven, verbruien, verknoeien, verpesten, verhaspelen, modderen, knoeien, beunhazen
DE: verpfuschen, vertun
EN: bungle, tinker
ES: estropear, desperdiciar, malograr, echar a perder
FR: gâcher, bousiller
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verprutst
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verpruts jij verprutst hij verprutst wij verprutsen jullie verprutsen zij verprutsen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verprutst jij hebt verprutst hij heeft verprutst wij hebben verprutst jullie hebben verprutst zij hebben verprutst
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verprutste jij verprutste hij verprutste wij verprutsten jullie verprutsten zij verprutsten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verprutst jij had verprutst hij had verprutst wij hadden verprutst jullie hadden verprutst zij hadden verprutst
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verprutsen jij zult verprutsen hij zal verprutsen wij zullen verprutsen jullie zullen verprutsen zij zullen verprutsen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verprutst hebben jij zult verprutst hebben hij zal verprutst hebben wij zullen verprutst hebben jullie zullen verprutst hebben zij zullen verprutst hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verprutsen jij zou verprutsen hij zou verprutsen wij zouden verprutsen jullie zouden verprutsen zij zouden verprutsen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verprutst hebben jij zou verprutst hebben hij zou verprutst hebben wij zouden verprutst hebben jullie zouden verprutst hebben zij zouden verprutst hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verpruts
|