NL: verplaatsenSynoniemen: disloqueren, overbrengen, overdragen, overzetten, roeren, transponeren, transporteren, verleggen, verrijden, verschuiven, vervoeren, verwijderen, verzetten, verschikken, opschuiven, wegwerken, wegnemen, weghalen, wegdoen, wegbrengen, vervreemden, lichten,
DE: wegbewegen
EN: shift, move
ES: desplazar, trasladar
FR: déplacer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
verplaatst
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik verplaats jij verplaatst hij verplaatst wij verplaatsen jullie verplaatsen zij verplaatsen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb verplaatst jij hebt verplaatst hij heeft verplaatst wij hebben verplaatst jullie hebben verplaatst zij hebben verplaatst
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik verplaatste jij verplaatste hij verplaatste wij verplaatsten jullie verplaatsten zij verplaatsten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had verplaatst jij had verplaatst hij had verplaatst wij hadden verplaatst jullie hadden verplaatst zij hadden verplaatst
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal verplaatsen jij zult verplaatsen hij zal verplaatsen wij zullen verplaatsen jullie zullen verplaatsen zij zullen verplaatsen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal verplaatst hebben jij zult verplaatst hebben hij zal verplaatst hebben wij zullen verplaatst hebben jullie zullen verplaatst hebben zij zullen verplaatst hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou verplaatsen jij zou verplaatsen hij zou verplaatsen wij zouden verplaatsen jullie zouden verplaatsen zij zouden verplaatsen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou verplaatst hebben jij zou verplaatst hebben hij zou verplaatst hebben wij zouden verplaatst hebben jullie zouden verplaatst hebben zij zouden verplaatst hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
verplaats
|