NL: veroorzakenSynoniemen: aanrichten, berokkenen, bewerkstelligen, teweegbrengen, stichten, aandoen, aanstichten
DE: veroorzaken (aanrichten): anrichten, herbeiführen
EN: veroorzaken (aanrichten): cause, instigate
ES: veroorzaken (aanrichten): causar, producir, provocar, ocasionar
FR: veroorzaken (aanrichten): causer, provoquer, commettre, mettre, faire, occasionner, inciter à
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
veroorzaakt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik veroorzaak jij veroorzaakt hij veroorzaakt wij veroorzaken jullie veroorzaken zij veroorzaken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb veroorzaakt jij hebt veroorzaakt hij heeft veroorzaakt wij hebben veroorzaakt jullie hebben veroorzaakt zij hebben veroorzaakt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik veroorzaakte jij veroorzaakte hij veroorzaakte wij veroorzaakten jullie veroorzaakten zij veroorzaakten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had veroorzaakt jij had veroorzaakt hij had veroorzaakt wij hadden veroorzaakt jullie hadden veroorzaakt zij hadden veroorzaakt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal veroorzaken jij zult veroorzaken hij zal veroorzaken wij zullen veroorzaken jullie zullen veroorzaken zij zullen veroorzaken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal veroorzaakt hebben jij zult veroorzaakt hebben hij zal veroorzaakt hebben wij zullen veroorzaakt hebben jullie zullen veroorzaakt hebben zij zullen veroorzaakt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou veroorzaken jij zou veroorzaken hij zou veroorzaken wij zouden veroorzaken jullie zouden veroorzaken zij zouden veroorzaken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou veroorzaakt hebben jij zou veroorzaakt hebben hij zou veroorzaakt hebben wij zouden veroorzaakt hebben jullie zouden veroorzaakt hebben zij zouden veroorzaakt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
veroorzaak
|