NL: vernoemenSynoniemen: noemen, benoemen
DE: vernoemen (een naam geven): nennen, benennen, ernennen
EN: vernoemen (een naam geven): denominate, call, name, term
ES: vernoemen (een naam geven): llamar, nombrar, calificar
FR: vernoemen (een naam geven): appeler, nommer, mentionner, citer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
vernoemd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vernoem jij vernoemt hij vernoemt wij vernoemen jullie vernoemen zij vernoemen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb vernoemd jij hebt vernoemd hij heeft vernoemd wij hebben vernoemd jullie hebben vernoemd zij hebben vernoemd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vernoemde jij vernoemde hij vernoemde wij vernoemden jullie vernoemden zij vernoemden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had vernoemd jij had vernoemd hij had vernoemd wij hadden vernoemd jullie hadden vernoemd zij hadden vernoemd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal vernoemen jij zult vernoemen hij zal vernoemen wij zullen vernoemen jullie zullen vernoemen zij zullen vernoemen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal vernoemd hebben jij zult vernoemd hebben hij zal vernoemd hebben wij zullen vernoemd hebben jullie zullen vernoemd hebben zij zullen vernoemd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou vernoemen jij zou vernoemen hij zou vernoemen wij zouden vernoemen jullie zouden vernoemen zij zouden vernoemen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou vernoemd hebben jij zou vernoemd hebben hij zou vernoemd hebben wij zouden vernoemd hebben jullie zouden vernoemd hebben zij zouden vernoemd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vernoem
|